Het lijkt alsof ons leven een nieuw ochtendgloren zal kennen, een nieuw en lieflijk kleurpalet, en dat in die geest van warmte onze ellende getransformeerd zal worden tot zoiets wonderbaarlijks en voelbaars als de vogels in de hemel.
De wereld is nieuw voor me, alles is pril, de eerste dag van de schepping. Ik kan mijn ogen uitkijken op een spinnenweb of een pissebed. Ik kan niet genoeg krijgen van de gezichten en de ogen van de mensen. Het feit dat mensen praten, lachen, huilen, zweten, zingen zonder dat er een zichtbaar iets bestaat dat al die activiteit mogelijk maakt, het feit dat er leven zit in hun lijf, dat ze datgene in hun vlees omdragen wat leven genoemd wordt, komt me voor als iets ongelooflijks. Ik kijk naar baby’s, met een open mond van verwondering. Ik kan er maar niet over uit dat we vanuit onze ogen, onze innerlijke werelden naar buiten kunnen kijken, naar de mensen, terwijl zij die naar ons kijken niet door onze ogen naar binnen kunnen kijken, onze gedachten en innerlijke werelden zien. Dat je je zo transparant kunt voelen, maar tegelijk zo ondoorzichtig: dat is een raadsel voor me. Zelfs het bewegen, die handeling waarbij mensen op twee benen lopen, erop in evenwicht blijven, kan me verrassen. Ik heb mijn ogen wijd open, uit een nieuwe angst voor de slaap, en ik kijk naar de wereld, ik probeer alles te zien wat er maar is, alle dingen haal ik met wijd open armen mijn leven binnen. Ik omhels het verontrustende mysterie van de werkelijkheid, en ik word sterker.
zondag 28 maart 2010
Abonneren op:
Posts (Atom)